
De mensen van Villa Koopzicht hebben een bijzondere passie
voor de betekenis van communiceren en organiseren.
We willen een constructieve bijdrage leveren aan de communicatie vaardigheden van bedrijven en instellingen. Door te leren publiek
(openbaar of besloten) te communiceren of zelfstandig community
vorming en relatienetwerken te organiseren. Voor meer loyaliteit en
een gelijkwaardige binding met in- en externe doelgroepen.
Economische groei legt de basis voor de ontwikkeling van het welzijn
van mensen. Zinvol en betrouwbaar met elkaar communiceren maakt informatie delen en de ander er bij betrekken en overtuigen nuttig.
Zicht hebben op effectief communiceren is daarbij een succesfactor.
Net als het leren organiseren en waarborgen van vertrouwen.
Villa Koopzicht, een naam om niet meer te vergeten.
be·trek·ken -trok, h, i -trokken 1 erbij halen: bij iets betrokken zijn, er deel van uitmaken; b) zich er emotioneel mee verbonden voelen 2 gaan bewonen: een nieuwe woning ~ 3 laten komen: goederen uit Engeland ~ 4 met wolken enz. overtrokken worden
be·trouw·baar bn te vertrouwen
bin·ding de; v -en 1 het gevoelsmatig verbonden zijn 2 (chem) koppeling van atomen of moleculen 3 iets dat verbindt: skibinding
com·mu·ni·ce·ren -ceerde, h gecommuniceerd 1 in verbinding staan 2 persoonlijk contact hebben; spreken (met)
di·a·loog de; m -logen 1 gesprek van twee personen 2 discussie, overleg
eco·no·misch bn, bw 1 (als) van, behorend tot de economie 2 zuinig
ge·lijk·waar·dig bn van gelijke waarde
groei de; m het groeien: in de ~ zijn (nog) groeien
groei·en groeide, i gegroeid groter worden
koop de; m het kopen; aankoop: te ~ gevraagd; te ~ lopen met iets het op een hinderlijke manier steeds vertellen of tonen; op de ~ toe extra; b) bovendien
ko·pen kocht, h gekocht voor geld in zijn bezit krijgen: wat koop ik ervoor? wat heb ik daaraan?
lo·ya·li·teit de; v -en trouw
par·ti·ci·pa·tie de; v -s het hebben van aandeel in iets; deelname
par·ti·ci·pe·ren -peerde, h geparticipeerd deelhebben in; deelnemen aan, meedoen aan: ~ aan (of: in) een project
ple·zier het; o -en 1 aangenaam gevoel; vreugde 2 vermaak, genoegen: voor zijn ~ reizen; meisje van ~ prostituee 3 iets prettigs; genoegen: een ~tje
ple·zie·ren plezierde, h geplezierd: iem ~ (een) plezier doen
ver·bin·den -bond, h -bonden 1 samenbinden; (innig) verenigen: er zijn voordelen aan verbonden gaan ermee gepaard 2 ve verband (2) voorzien: een wond ~ 3 telefonisch aansluiten: verkeerd verbonden zijn een verkeerd nummer gekozen hebben 4 verplichten: ~de bepalingen 5 (chem) samen overgaan in een nieuwe stof: waterstof en zuurstof ~ zich tot water
ver·koop, ver·koop de; m -kopen het verkopen
ver·ko·pen -kocht, h -kocht 1 tegen een bep. prijs aan een ander overdoen: boeken ~; het boek verkoopt goed wordt goed verkocht 2 ten beste geven: praatjes ~ 3 aannemelijk, geloofwaardig maken: dat is politiek niet te ~ || iem een dreun ~ geven
ver·trou·wen -trouwde, h -trouwd 1 met zekerheid hopen: we ~ erop dat … 2 vertrouwen stellen: hij is niet te ~ hij is onbetrouwbaar
ver·trou·wen het; o geloof in iemands goede trouw en eerlijkheid
vil·la [vielaa] de; v(m) -’s; -laatje landelijk gelegen, vrijstaand groot woonhuis
wel·zijn het; o toestand dat men zich goed voelt: bij leven en ~; ~sbeleid, ~szorg
zicht het; o het zien: het ~ is slecht men kan niet ver zien; op ~ ter inzage
zin·vol bn, bw zin hebbend; nuttig